Een gezellige dag, met fluitende en piepende vogels! (120)

De tien woorden in dit verhaal zijn: luier, wandrek, geraas, lente, water, geklets, kooien, gaten, gieter en adem

Wilco en Imke zijn broer en zus. Zij gaan nu iets doen, wat ze meestal niet samen doen, een eind fietsen! Ze hebben mama beloofd geen gekke fratsen uit te halen. En het verkeer goed in de gaten te houden! Ze gaan naar een dorp, niet zo ver bij hun woonplaats vandaan. In dat dorp wonen een oom en tante van buurkinderen van de fietsers.

Die kinderen, hun namen zijn Tamara en Edwin, zijn er al.
Het viertal ontmoet elkaar daar. Imke rijdt achter Wilco aan. Buiten hun dorp is veel natuur te zien. Het is lente! Veel bloemen zijn er al te zien. Ook het nieuwe blad aan bomen en struiken geeft alles een mooie kleur.

Als ze over een bruggetje overgaan, komen er net een paar kanovaarders aan. Elk in zijn of haar eigen bootje. Ze hebben de stroom mee. Het water verplaatst zich erg snel.

Hier en daar zijn mensen bezig iets te doen. Bij hun huis, of op het land of weide. In een voortuin van een huis krijgen planten en bloemen een ochtenddouche. Een man houdt een gieter vol water boven hen. Of ze dat, zo vroeg al, lekker vinden?? In een andere voortuin ligt een baby te huilen in de kinderwagen. Een vrouw, het zal de moeder wel zijn, doet het lawaaimakertje een schone luier aan. Dat helpt! Het is weer stil. Ook zijn er veel boeren bezig het nodige werk te doen!

Als ze bij het huis komen, waar ze moeten zijn, staan Tamara en Edwin al op de uitkijk.
Komen de fietsers er al aan? Ja, daar komen ze al aan racen! Wilco rijdt voorop. En achter hem zijn zus. Zij is doodmoe en buiten adem. Praten is een probleem. Ze moppert op haar broer. “Moest het nu echt zo snel. Ik stik bijna” Tamara zegt:  “En dus…..naar buiten…. en doen wat gedaan moet worden!”

Het wordt een drukke, maar wel heel gezellige dag!