Elke dag is weer anders! (113)

De tien woorden in dit verhaal zijn: dagboek: microfoon, kapper, stofzuiger, kast, kalender, sluiten, denneappels, leunstoel, dekbed en schreeuwen

‘Monica, je moet direct je bed uitkomen! Je baas belde net en vroeg, waarom je er nog niet was! Er zitten een aantal mensen te wachten!’ De baas van Monica is kapper. Hij heeft klanten, die een afspraak hebben, in de zaak en die willen geholpen worden op de afgesproken tijd! Eventjes wachten kan altijd gebeuren, maar dat moet niet te lang duren.

Monica schrikt wakker en gooit het dekbed van zich af. Het was zo’n lekker warm holletje waar ze in lag. Ze is nog wat suffig. Dat heb je, als je ’s avonds te laat naar bed gaat! Het was super gezellig bij haar vriendin geweest, gisteravond. En daar had ze de tijd niet in de gaten gehouden. Net als vanmorgen!
De wekker had haar niet wakker gemaakt. Dat kon hij ook niet, want ze had hem niet ingesteld.

Tijd om te eten geeft Monica zichzelf niet. Na een kwartier rent ze de voordeur uit! Haar moeder geeft nog vlug een koek in haar hand geduwd, maar die laat ze in de haast vallen. Hij valt buiten in stukken uit elkaar. Kunnen de vogeltjes genieten. Die zijn er genoeg!

Ze loopt heel vlug. Gelukkig hoeft ze geen grote afstand af te leggen. Met een zucht opent zij de deur van de zaak. ‘Sorry dat ik zo laat ben!’ ‘Begin maar gauw,’ zegt Jean, haar baas. ‘Een mevrouw is al weggegaan. Die was gaan schreeuwen, dat dit al de tweede keer was, dat ze moest wachten vandaag. Eerst bij de tandarts en nu hier weer!’

De vrouw, die nu nog zit te wachten, begint te lachen. ‘Ja, ze had echt geen microfoon nodig. Ik denk dat er buiten ook mensen geweest zijn die het hoorden!
Oh, ben ik nu aan de beurt?’ Ze legt het damesblad, waarin ze aan het lezen was, neer. Ze probeert uit de leunstoel te komen. Monica helpt haar. ‘Ik heb op die gemakkelijke stoel even uit kunnen rusten!’

Monica doet een kast open en haalt de spulletjes, die zij nodig heeft, eruit. Haar oog valt op de kalender, die aan de binnenkant van de kastdeur hangt. Zij kijkt hoeveel klanten er nog komen. Het wordt al met al een drukke dag. Heel goed moet ze haar gedachten bij het werk houden. Dat is belangrijk. En… vriendelijk blijven! De deur gaat weer open. Er komt een vrouw binnen. Ze duwt een jongen voor zich uit. ‘Opschieten’, snauwt ze. De jongen kijkt niet vrolijk.

‘Die meneer in dat grote huis was toch niet kwaad! Hij lachte, toen ik die dennenappels van het pad af gooide! Hij probeerde ze te vangen! Ik probeerde ze in een mand te gooien. Die stond op het grasveld. Hij riep toen, dat ik raak moest gooien. Eén kwam erin! Er ging toen een duim omhoog. Toen mama eraan kwam, was die man net in huis verdwenen!’ De moeder zei niets terug.

De dame die lekker uitgerust is en nu geholpen wordt, zegt lachend. ‘Het was eigenlijk een kwajongensstreek. Maar die mijnheer vond het kennelijk leuk.
Hij zal wel gedacht hebben aan dingen, die hij vroeger zelf wel eens deed.’

Als het bijna sluitingstijd is en de laatste klant verdwenen is moeten er nog klusjes gedaan worden! Jean veegt het haar op de grond bij elkaar. Gooit het in de afvalbak. Monica pakt de stofzuiger en het laatste restje afval verdwijnt daarin. Moe, maar blij, dat de klanten tevreden waren over haar werk, gaat ze naar huis. En kan haar baas de deur sluiten!!